familiegoed
onzijdig (het)
Wat is de betekenis van familiegoed?
familiegoed betekent: gebouw dat in het bezit van een familie is
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gebouw dat in het bezit van een familie is
- zaken die in het bezit zijn van een familie; erfelijke bezit
Voorbeelden van "familiegoed" in een zin
- De zomer wilden zij op Vronski's grote familiegoed doorbrengen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek