familiekamer

mannelijk/vrouwelijk (de)/faˈmiliˌkamər/

Wat is de betekenis van familiekamer?

familiekamer betekent: (juridisch) (Nederland) onderdeel van een rechtbank of gerechtshof dat echtscheidingen afhandelt en andere zaken op het terrein van familierecht

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) (Nederland) onderdeel van een rechtbank of gerechtshof dat echtscheidingen afhandelt en andere zaken op het terrein van familierecht
  2. vertrek binnen een instelling waar naaste familieleden van een cliënt bij elkaar kunnen zijn
  3. vertrek in een hotel dat zo ruim is dat een heel gezin erin kan verblijven en overnachten
  4. verouderd (verouderd) ruimte in een woonhuis waar de leden van het huisgezin samen kunnen verblijven

Voorbeelden van "familiekamer" in een zin

  • Een jaar lang is hij in het kader van de tweede fase van zijn raio-opleiding (rechterlijke ambtenaar in opleiding) bij de rechtbank werkzaam: eerst vier maanden bij de familiekamer en vervolgens acht maanden bij de strafkamer.
  • Lesbische vrouwen die na hun echtscheiding duurzaam samenwonen met een vrouw, hebben geen recht op alimentatie voor zichzelf. Deze uitspraak heeft de familiekamer van het Amsterdamse gerechtshof gedaan in een zaak rond een vrouw die nog steeds geld wil van haar vroegere echtgenoot, terwijl zij met een andere vrouw samenwoont.
  • Het Slotervaartziekenhuis verwacht dat zijn nieuwe afdeling met twintig bedden voor aids-patiënten midden volgend jaar al volledig bezet zal zijn. (…) Bovendien wordt er een familiekamer ingericht waar familieleden en vrienden desgewenst kunnen overnachten.
  • De in 1895 gestichte Isr. begraafplaats (…) heeft weenhuizen aan weerszijden van het toegangshek. Rechts ligt de familiekamer annex opzichterswoning, links de gebedszaal en ernaast - door een luchtspleet gescheiden - het wachthuisje voor de kohaniem (hogepriester).
  • Mijn handbagage werd gedragen, in het vliegtuig kreeg ik champagne en ik sliep in een familiekamer van het Mariott-hotel.