faux pas

mannelijk (de)/foˈpɑ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. overtreding van fatsoensregels, meestal door een buitenstaander die onbekend is met die regels
    Het lijkt een faux pas. Een kuchje op het verkeerde moment. ‘Sorry’, zegt het kamermeisje Abigail (Emma Stone) als de explosieve koningin Anne (Olivia Colman) haar vinnig aankijkt. ‘Ik denk dat ik een koutje heb gevat toen ik gisteren de kruiden plukte tegen uw jicht.’ de Volkskrant Floortje Smit2 januari 2019 [https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/the-favourite-is-verschrikkelijk-grappig-en-oneindig-tragisch-vijf-sterren-~ba553632/ The Favourite is verschrikkelijk grappig en oneindig tragisch (vijf sterren)]
    Kasich is niet de eerste politicus die zich schuldig maakt aan deze faux pas. Eerder kreeg de New Yorkse burgemeester al de hoon van zijn stadgenoten over zich heen toen hij de vork hanteerde. Trump nam in 2011 tijdens de campagne met Sarah Palin een vork om zijn pizza te eten, waarop John Stewart in de Daily Show begon te twijfelen aan zijn geboortecertificaat. Was Trump wel een echte New Yorker?Volkskrant Stan Putman 3 april 2016

Etymologie

*samenstelling uit het Frans van faux en pas