fecaliën
meervoud/feˈkalijə(n)/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) resten van de spijsvertering die zijn uitgepoept
Etymologie
*, van van Latijn "faecalia", vergelijk "Fäkalien"; in de betekenis van ‘uitwerpselen’ voor het eerst aangetroffen in 1876
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek