festival

onzijdig (het)/ˈfɛstiˌvɑl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een reeks optredens
  2. feest (feest) een groot evenement met zang en dans en muzikale optredens
    In Nederland worden jaarlijks enkele grote festival gehouden.
    Het werd de spannendste Eurovisie-ontknoping in vele jaren. Maar de uitkomst was die waar Nederland na 44 jaar naar smachtte: Duncan Laurence is winnaar van het Songfestival. Bijna een halve eeuw na de zege van Teach-in komt het festival volgend jaar weer naar Nederland. Tubantia Stefan Raatgever 19 mei. 2019 [https://www.tubantia.nl/dossier-duncan-wint-songfestival/duncan-doet-waar-nederland-na-44-jaar-naar-smachtte~afc527e7/ Duncan doet waar Nederland na 44 jaar naar smachtte]
    Het drukbezochte festival Down the Rabbit Hole had afgelopen weekend te kampen met meerdere last-minute afzeggingen, onder meer wegens coronabesmettingen. Een optreden gaat wel vaker niet door op het laatste moment, maar corona heeft die kans vergroot. Wat gebeurt er als een artiest vlak voor het geplande optreden geen acte de présence op een festival kan geven?

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘groot (muziek)feest’ voor het eerst aangetroffen in 1872

Vertalingen

Engelsfestival, festival
Fransfestival, festival
DuitsFestspiele, Festival
Spaansfestival, festival