ficus

mannelijk (de)/ˈfikʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. botanische naam van een geslacht (genus) in de moerbeifamilie de Ficus Elastica wordt vaak als kamerplant gehouden
    En weer is er een stukje van het voormalige imperium van Dirk Scheringa verdwenen. Een onderhoudsvrije ficus, wellicht ooit de groene noot in zijn directiekamer, ging voor 80 euro van de hand.Volkskrant 15 juli 2010,

Etymologie

*uit het Latijn

Vertalingen

Engelsficus