fileerder

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die vis ontdoet van graten en ingewanden
    In de hal van de Coöperatieve Visafslag stelt de vorstin zich grondig op de hoogte van het visbedrijf en zijn problematiek. Fileerder en gepensioneerd visser Klaas de Haan vindt het een „geweldig moment” dat de Koningin naar zijn bezigheden komt kijken. Geeft u ook les? vraagt de Koningin aan een andere fileerder. Reformatorisch Dagblad Marie van Beijnum 04-11-2005 [https://www.rd.nl/vandaag/binnenland/i-koningin-op-kroonkussen-in-huifkar-i-1.66461 Koningin op kroonkussen in huifkar]
    „Kijk dan, ultravers, nog plankstijf.” Arie Kuijt, fileerder, handelaar en zelfverklaard vispromotor, neemt een lap van een tong van het ijs. Een stapel verder pakt hij een rode poon. „Gisteren zwom hij in de Golf van Biskaje, voel eens.” De zijkant van de vis voelt als schuurpapier. „Hij is rood ja, en toch is het een grauwe poon. Echte rode poon is glad.” NRC Menno Steketee 4 februari 2014 [https://www.nrc.nl/nieuws/2014/02/04/grauwe-poon-is-ook-rood-maar-voelt-ruw-1342647-a940525 Grauwe poon is óók rood, maar voelt ruw]
  2. iemand die een scherpe, kritische analyse van iets maakt
    BBC-radiopresentator John Humphrys, gevreesd fileerder van politieke wauwelaars in het radioprogramma Today, was ooit in de lobby van een hotel in Sheffield. Hij werd afgeleid door aanhoudende achtergrondmuziek in het vertrek. NRC Hieke Jippes 17 juni 2013 [https://www.nrc.nl/nieuws/2013/06/17/pardon-moeten-we-hier-vechten-voor-onze-stilte-12671501-a1057743 Pardon - moeten we hier vechten voor onze stilte?]

Etymologie

* van fileren