Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.
fissa
mannelijk (de)/ˈfɪsa/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (jongerentaal) feest"Toen ik hem vroeg hoe hij het in godsnaam in zijn pukkelige, botte hoofd haalde, begon hij een heel verhaal over de ellende van ‘walou floes’ (geldgebrek) en legde de schuld bij al die rappers die over niets anders zingen dan de bergen ‘duku’s’ of ‘floes’ die je met drugshandel kunt verdienen. „En veel duku’s betekent ook veel fissa en chickies ” (feest en meisjes)."nrc.nl, Mirjam de Winter, 8 september 2017, WiggaEn hij wist dus van de fissa bij Nicolette, van wie de ouders een week op Mallorca zaten.
Etymologie
*via (straattaal) van "fesa", dat teruggaat of "festa" ""feest""
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek