fles

mannelijk/vrouwelijk (de)/flɛs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een langgerekt, cilindrisch en meestal van glas vervaardigd vat met een nauwe hals die met een dop of kurk af te sluiten is
    Deze fles bevat bijna een liter wijn.
    Wanneer ik even later terugwankel met een fles limoncello die ik ergens uit een rek heb gegrist, realiseer ik me plotseling dat Lot nog steeds bij de dakrand staat.
    In een urinoir kan het ook soms moeilijk zijn om met iemand naast je te plassen. Hier was het nog lastiger omdat er twee mensen naast mij lagen, waarvan één tot overmaat van ramp de enige aanwezige vrouw was. Pas na lange tijd was ik ontspannen genoeg om de fles te vullen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘glazen vat met nauwe hals’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351

Uitdrukkingen

  • Op de fles gaanfailliet gaan

Vertalingen

Engelsbottle
Fransbouteille
DuitsFlasche
Spaansbotella, frasco
Italiaansbottiglia
Portugeesgarrafa
Russischбутылка, бутыль
Chinees瓶子, 瓶
Japans
Koreaans
Arabischقنينة
Turksşişe
Poolsbutelka
Zweedsflaska
Deensflaske