fondament
onzijdig (het)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- fundament, basis, grondslagDe profetieën golden niet alleen predikanten of kerkelijk gebonden oordelen. Freule Van Stralen, „lid van den ééne, ware uitverkoren kerk, gebouwd op dat fondament der apostelen en profeten waarvan Jehovah de Heere Christus Jezus het eenige hoofd en de uiterste hoeksteen is” richtte in 1863 in een brochure het woord tot Nederland: ”O land, land, land, hoort des Heeren Woord!”
Etymologie
* uit het Frans
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek