foutlijn

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɑutlɛin/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) (honkbal) elke van beide haaks op elkaar staande lijnen die vanaf de thuisplaat langs het eerste en het derde honk lopen
    In de wedstrijd van gisteravond tussen Nederland en de Verenigde Staten (1-11) stond het in de vijfde inning 1-1 en hadden de Amerikanen alle drie de honken bezet toen Scaletta de bal net aan de verkeerde kant van de foutlijn over de omheining joeg.
  2. sport (sport) (bowling) lijn waar je achter moet blijven staan als je de bal gooit
    Halverwege de game maakte hij een beginnersfout door met zijn linkervoet over de foutlijn te glijden.

Etymologie

* als leenvertaling van "foul line", omdat het een fout is als de slagman de bal over deze lijnen slaat