frisco

mannelijk (de)/ˈfrɪsko/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. portie roomijs op een stokje
    Over 17 februari, de dag dat prins Friso bedolven werd onder een sneeuwlawine, merkt de komediant Henk Rijckaert op: 'Of hoe prins Friso plots een frisco werd', gebruik makend van het Vlaamse woord voor ijsje. De komedianten blikken voor het tijdschrift ook terug op grappen die eerder dit jaar in België over de prins werden gemaakt. Tubantia 27-12-12 [https://www.tubantia.nl/binnenland/vlaams-tijdschrift-grapt-over-prins-friso~a29d5ed7/ Vlaams tijdschrift grapt over prins Friso]
    Door het mulle zand trok een zweterige ijsverkoper zijn karretje. Frisco, crème glace, frisco!

Etymologie

*van de merknaam "Frisco"