frituur

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zaak waar men gefrituurde zaken verkoopt
    De frituur is open, hoor.
    Vraag het aan Gentenaar Geert Claus, uitbater van frituur Emily’s, hoe zwaar het is. Hij legt de laatste meters te voet af, met de fiets aan de hand.
  2. hete olie waarin men iets onderdompelt en bakt
    Ik heb het even in de frituur gegooid.

Etymologie

*afgeleid van het Franse friture [https://fr.wiktionary.org/wiki/friture Wiktionnaire]

Vertalingen

Fransfriture