fruitboer

mannelijk (de)/'frœydbur/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) persoon die professioneel fruit (zoals appels, peren, kersen, bessen) verbouwt, kweekt en oogst, meestal met als doel de verkoop ervan aan de markt, groothandel of consument
  2. handel (handel) persoon met een fruitwinkel