ganzenhoeder
mannelijk (de)/ˈɣɑnzə(n)ˌhudər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) iemand die waakt over de grote, stevig gebouwde watervogels van een boerderijThijs de ganzenhoeder is een Hongaars volkssprookje waarin een boerenzoon de inhalige, machtsbeluste graaf en gravin te slim af is.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek