ganzenhoeder

mannelijk (de)/ˈɣɑnzə(n)ˌhudər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) iemand die waakt over de grote, stevig gebouwde watervogels van een boerderij
    Thijs de ganzenhoeder is een Hongaars volkssprookje waarin een boerenzoon de inhalige, machtsbeluste graaf en gravin te slim af is.