ganzenveer

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑnzə(n)ˌver/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een van de lichte, hoornige uitgroeisels waarmee de huid van een gans, bedekt is
    De hoed is versierd met enkele ganzenveren.
  2. slagpen van een gans of een andere grote vogel, die in inkt gedoopt als schrijfstift wordt gebruikt
    Voor 1840 schreef men met een ganzenveer.
    Kopiisten waren maanden bezig om met de ganzenveer de tekst in het dunne leer te graveren.

Etymologie

*, op te vatten als samentrekking van ganzenveder