gapper

mannelijk (de)/ˈɣɑpər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die steelt
    Mijn moeder werkte daar in de kantine. Voor een appel, een ei en een kop koffie wel te verstaan, want terwijl elders langs de amateurvelden nog weleens een envelop-met-inhoud werd doorgegeven, was DCG een in en in keurige vereniging, ook al werd in de volksmond beweerd dat de clubnaam niet stond voor ‘Door Combinatie Groot’ maar voor ‘De Centen Gappers’.

Etymologie

* van gappen

Vertalingen

Engelssnatcher, lifter