gard

mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɑrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een roe
    Vol verwachting klopt ons hart, wie de koek krijgt, wie de gard.

Etymologie

* In de betekenis van ‘strafwerktuig, roe’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Vertalingen

Engelsrod, switch, wand
DuitsRute
Spaanspalmeta, vara, verga