spitsroede
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een lange dunne stok waarmee men gestraft kan worden
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘dunne roede gebruikt om te straffen’ voor het eerst aangetroffen in 1672
Uitdrukkingen
- spitsroeden lopen — door een groep mensen kritisch beoordeeld of veroordeeld worden
Vertalingen
Engelsswitch, wand, rod
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek