garde
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑrdə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (huishouden) keukengerei bestaande uit een stel gebogen draden waarmee geklopt en geklutst kan wordenMet een garde slagroom kloppen vereist enig geduld en doorzettingsvermogen.
- een lijfwacht
- een roede
- (Limburg) een horde, keurbende
- de jonge garde: de jongerenOp de trail had ik eindelijk het gevoel een hippie te zijn omdat ik in een gemeenschap leefde van vrije geesten, kleurrijk en stoffig. Niemand scheerde zijn kin of oksels, bh’s bleken niet te werken onder zware rugzakken en er was een gezonde hoeveelheid vrije liefde onder de jonge garde.
- de oude garde: mensen met ideeën en tradities van vroeger
Etymologie
* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘keurbende’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855
Vertalingen
Fransfouet
DuitsSchneebesen
Spaansbatidor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek