geluk
onzijdig (het)/ɣəˈlʏk/
Wat is de betekenis van geluk?
geluk betekent: toevallige meevaller
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- toevallige meevaller
- prettige gemoedstoestand waarin men tevreden is met zichzelf en met de omgeving
Voorbeelden van "geluk" in een zin
- Die zal ze eerst nuffig weigeren natuurlijk, maar met een beetje geluk knabbelt ze er toch een beetje van, waardoor' ze wat minder prikkelbaar wordt.
- Het was een geluk geweest dat Joy zich na het eten uit de voeten had gemaakt en lang wegbleef, waardoor ik een tijdje alleen op de kamer was en rustig kon bellen.
- Dat kon ook niet anders, als je haar geluk en angst en verwondering zag over het feit dat ze een kind in zich droeg, zoiets moois, dat zo'n goede moeder zou krijgen.
- Hij kon zijn geluk niet op; Isaac Robles in zijn schuilplaats en zijn kale zusje dat hem een wapen overhandigde.
Etymologie
* van lukken
Uitdrukkingen
- Het geluk is met de dommen — Mensen die dom en/of onhandig zijn, hebben zoveel geluk dat ze het er toch goed vanaf brengen (ofwel: je hebt eigenlijk meer aan puur geluk dan aan gezond verstand)
- Ongeluk in het spel, geluk in de liefde — Wie pech heeft in iets onbelangrijks kan geluk hebben bij iets belangrijkers
- Zijn geluk niet op kunnen — Maximaal blij zijn
Vertalingen
Engelsluck, happiness
Franschance, bonheur
DuitsGlück
Spaansfelicidad, suerte
Zweedstur, lycka
Deensheld, lykke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek