glazuur

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. glasachtige laag ter bedekking van aardewerk, dakpannen, bakstenen, plavuizen en tegels
  2. biologie (biologie) de buitenste laag van de tandkroon die rond de dentine gelegen is, tandglazuur
  3. voeding, kookkunst (voeding) (kookkunst) mengsel van poedersuiker en water waarmee cake, taart enz. wordt afgewerkt

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘glasachtige laag’ voor het eerst aangetroffen in 1766

Vertalingen

Engelsenamel, glaze
Spaansbarniz vitrificable, esmalte, glasura