godvruchtigheid

vrouwelijk (de)

Wat is de betekenis van godvruchtigheid?

godvruchtigheid betekent: de mate waarin iemand vroom en gelovig is; de mate waarin iemand god eert

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate waarin iemand vroom en gelovig is; de mate waarin iemand god eert
  2. iets wat getuigt van vroomheid

Betekenis en uitleg van godvruchtigheid

Godvruchtigheid verwijst naar een diepgeworteld religieus gevoel en de toewijding aan een goddelijke macht. Het impliceert niet alleen geloof, maar ook het leven volgens morele en ethische principes die voortkomen uit dat geloof.

Dit woord wordt vaak gebruikt in religieuze contexten, vooral binnen het christendom, om de oprechte toewijding van een persoon aan zijn of haar geloof te beschrijven. Godvruchtigheid kan zich uiten in rituelen, gebed en een deugdzaam leven. Het benadrukt ook de verbinding tussen religie en handelen in het dagelijks leven.

Voorbeelden

  • Zijn godvruchtigheid was duidelijk zichtbaar in zijn dagelijkse rituelen en de manier waarop hij met anderen omging.
  • In moeilijke tijden zocht zij troost in haar godvruchtigheid, wat haar hielp om de uitdagingen het hoofd te bieden.
  • De gemeenschap kwam samen om de godvruchtigheid van hun voorouder te vieren tijdens een speciale ceremonie.

Woordoorsprong

Het woord 'godvruchtigheid' is samengesteld uit 'god' en 'vruchtigheid', waarbij 'vruchtigheid' verwijst naar vrucht dragen of het resultaat van toewijding. Het duidt op de opbrengst van een leven dat gewijd is aan God.

Veelgestelde vragen over godvruchtigheid

Wat is de betekenis van godvruchtigheid?

godvruchtigheid betekent: de mate waarin iemand vroom en gelovig is; de mate waarin iemand god eert

Hoeveel betekenissen heeft godvruchtigheid?

godvruchtigheid heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft godvruchtigheid?

godvruchtigheid is een vrouwelijk (de).

Wat zijn synoniemen van godvruchtigheid?

Synoniemen van godvruchtigheid zijn: piëteit, godsdienstigheid, devotie, vroomheid, geloof.

Etymologie

* afleiding van godvruchtig