goedmoedigheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vriendelijk en behulpzaam zijn
    Men moest alleen niet weigeren, niet afgunstig zijn, niet gauw onenigheid hebben, zich niet te gauw beledigd voelen en dat alles was juist in strijd met de hem aangeboren goedmoedigheid.
    De ondernemer zei dat hij enkel uit goedmoedigheid de man in dienst had genomen, die niet alleen in zijn eigen maar ook in het onderhoud van zijn familie in Servie moest voorzien.

Etymologie

* afleiding van goedmoedig

Vertalingen

Engelsgood-nature, amiability