grijpen

/ˈɣrɛipə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. plotseling iets of iemand beetpakken
    Hij wist snel de peuter te grijpen voor deze in de kolkende rivier viel.
    Terwijl de jonge assistent de gegevens van zijn Franse identiteitskaart invoerde, had ik de neiging om zijn ID te grijpen en te fotograferen, alsof zijn administratieve nummers met het verlaten van de Camino ineens belangrijker voor me Zijn.
  2. met kracht iets pakken
    Gehaast stap ik uit de cabine, waarbij ik uitglijd en me nog net weet vast te grijpen aan de wasbak.
    Op 14 juli 2014 demarreert Nibali op drie kilometer voor de top. De Siciliaan grijpt de leiderstrui en staat die niet meer af.
  3. emotioneel ergens door geraakt worden
    Ik vond het verbijsterend om te horen hoeveel indruk de trail destijds op deze man had gemaakt. Zou ik over 35 jaar ook nog zo gegrepen zijn door deze ervaring?
  4. naast grijpen: iets missen, iets niet te pakken kunnen krijgen
    Zij grijpen dus naast de 1.000 euro tegemoetkoming en moeten wachten tot een volgende ronde. Het loket gaat op 1 september en 1 november opnieuw open. Degenen die zich wel hebben kunnen aanmelden, krijgen binnen enkele dagen hierover een bericht.

Etymologie

*van Middelnederlands gripen

Uitdrukkingen

  • De gelegenheid bij de haren grijpen of pakkengebruik maken van een gegeven mogelijkheid
  • de kans grijpengebruik maken van een gegeven mogelijkheid
  • De koe bij de horens grijpen (pakken of vatten)
  • Grip / greep op iets krijgen
  • Iemand bij de kladden grijpenIemand bij zijn kleren grijpen
  • Van de gaffel in de greep vallen
  • voor het grijpen liggeniets makkelijk kunnen bereiken

Vertalingen

Engelsseize, grip, catch
Franssaisir, empoigner
Duitsergreifen, greifen
Spaanscoger, agarrar, asir
Poolschwycić