grond
mannelijk (de)/ɣrɔnt/
Wat is de betekenis van grond?
grond betekent: (geologie) een bepaald stuk van het aardoppervlak
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (geologie) een bepaald stuk van het aardoppervlak
- (geologie), (plantkunde) de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
- (geologie) het aardoppervlak in algemene zin
- (geologie) zeebodem
- (figuurlijk) de reden of basis van gedrag, houding, standpunt of motief
- (figuurlijk) (psychologie) het diepste wezen van iets of iemand
Voorbeelden van "grond" in een zin
- De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen.
- De enige vlakke grond was de trail zelf dus ik hoopte dat er geen vroege hiker over me heen zou vallen in de ochtend. Maar dat gebeurde wel.
- De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond.
- Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond.
- Het schip was aan de grond gelopen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘bodem’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220
Uitdrukkingen
- Aan de grond houden — niet laten vliegen
- Aan de grond zitten — (Bijna) helemaal niets meer hebben; uitgeput zijn
- Als paddenstoelen uit de grond schieten — Overal snel uit het niets tevoorschijn komen
- Door de grond [kunnen] zakken — Zich plotseling erg beschaamd of vernederd voelen
- Geen grond hebben — Geen basis hebben, op niets gestoeld zijn
- Geen voet aan de grond krijgen — Geen houvast kunnen krijgen, ergens geen vat op krijgen
- Met beide benen op de grond staan — Realistisch zijn
- Met de grond gelijk maken — Geheel afbreken, slopen
Vertalingen
Engelsground, terrain, tereno
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek