grootte
vrouwelijk (de)/ˈɣrotə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- mate waarin iets of iemand groot is, de afmetingEen meloen ter grootte van een voetbal.Nadat zo'n zwart gat is gevormd, kan het toenemen in grootte door materie uit de omgeving op te nemen.Niet zo gek dus dat ook de geboorte van de maan is toegeschreven aan de catastrofale inslag van de pasgeboren aarde met Theia - een hypothetische protoplaneet ter grootte van Mars.
Etymologie
*van Middelnederlands "grote", op te vatten als afgeleid van "groot" , in de betekenis van ‘afmeting’ aangetroffen vanaf 1287
Vertalingen
Engelssize
Franstaille, grandeur
DuitsGröße
Spaanstamaño
Poolsrozmiar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek