haai
mannelijk (de)/haj/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kraakbeenvissen) benaming voor roofvissen uit de superorde
- (scheldwoord) hebzuchtig, inhalig persoon (met een grote bek)
Etymologie
* Leenwoord uit het Oudnoor(d)s, in de betekenis van ‘kraakbeenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1445-1455
Uitdrukkingen
- naar de haaien
- voor de haaien — verloren
- er zijn haaien voor de kust — er dreigt gevaar
Vertalingen
Engelsshark
Fransrequin
DuitsHai
Spaanstiburón
Italiaanssqualo
Portugeestubarão
Russischакула
Poolsrekin
Zweedshaj
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek