haasten

/ˈhastə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. refl (refl) trachten om dat wat men te doen heeft snel af te maken
    Hij haastte zich naar de deur.
    Met barstende koppijn werd ik wakker en besloot nog een dag in Tehachapi te blijven. Er lag tenslotte nog een dik pak sneeuw in de bergen voor me, dus haasten had absoluut geen zin.

Etymologie

*afgeleid van haast ??

Vertalingen

Engelshurry
Fransse dépecher, se hâter
Duitssich beeilen
Spaansapresurarse, apurarse, acelerarse