haberdoedas

mannelijk (de)/ˌhabərˈdudɑs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. harde klap om de oren
    Mij is als vertaler een heilige eerbied voor de originele tekst verweten; ik denk dat die heilige eerbied navolging verdient. Ik tril van deemoed en obstetrische omzichtigheid wanneer ik een woord, nog warm en levend in mijn handen, aan een andere gewillige taal overdraag, zoals ik dat deed met het versgebakken brood dat ik in het dorpje Bertollo uit de openbare oven naar huis bracht waar een haberdoedas mij in geval van slordigheden wachtte. NRC Hafid Bouazza 21 juli 2000 [https://www.nrc.nl/nieuws/2000/07/21/de-deinsvaardigheid-van-paarden-7503276-a1290176 De deinsvaardigheid van paarden]

Etymologie

*uit het "habe er das" en "habe du das" "pak aan" als uitroep bij het uitdelen van een mep