habitué
mannelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die ergens een vaste bezoeker is; iemand die heel vaak ergens komt; een vaste klantOp de novemberdag vorig jaar toen in Nederland de Michelinsterren werden uitgedeeld, zat schrijver Ronald Giphart ’s avonds in het tv-programma De Wereld Draait Door. Giphart was als gast aangeschoven omdat hij naar eigen zeggen dol is op lekker eten en habitué is in veel sterrenrestaurants. HP de Tijd 24/03 | 2010 [https://www.hpdetijd.nl/2010-03-24/wijn-goed-voor-seks-en-sneller-zwanger-worden/ Wijn: goed voor seks en sneller zwanger worden]Zeventien jaar later, in 1951, verhief Bordewijk dit thema opnieuw tot grote hoogte in Rood paleis, een bordeel aan de Passeerdersgracht te Amsterdam, waar de habitué Henri Leroy zijn nachtelijk heil zoekt. HP de Tijd 15/03 | 2018 door:Nick Muller [https://www.hpdetijd.nl/2018-03-15/de-beste-boeken-die-u-nooit-heeft-gelezen-2/ De 100 beste boeken die u nooit heeft gelezen (7)]
Etymologie
* Leenwoord van Frans "habitué", in de betekenis van ‘regelmatige bezoeker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1840
Vertalingen
Engelsregular customer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek