habitus
mannelijk (de)/ˈhabitʏs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gewone uiterlijke gedaante, houding of gedrag bij mens, plant en dier
Etymologie
* van Latijn "habitus", in de betekenis van ‘uiterlijke gedaante’ aangetroffen vanaf 1803
Vertalingen
Spaanshábito
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek