hagedis

vrouwelijk (de)/ˌhaɣəˈdɪs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reptielen (reptielen) langstaartig, geschubd reptiel uit de onderorde (Sauria)
    Duikende vogels, mieren, hagedissen en het onophoudelijke gezang van de krekels. Alles was nieuw voor me en ik nam het allemaal in me op als een kind op zijn eerste schooldag.

Etymologie

*van Middelnederlands "egedisse" / "haghedisse", in de betekenis van ‘hagedisachtige’ aangetroffen vanaf 1301; uit West- *agwi-þehsō(n) of *-þahs(i)jō(n), samenstelling van *agwi- ‘hagedis, slang’ +‎ *þahsiō ‘bijl’ (vgl. Oudengels þeox ‘speer’, "Dechse" "bijl, dissel", uit *h₁ógʷʰis- ‘slang’ + *teḱs- ‘houwen’. Evenals Nederduits Eevtask(e), Duits Eidechse en Oudengels āþexe

Vertalingen

Engelslizard
Franslézard
DuitsEidechse
Spaanslagarto
Italiaanslucertola
Portugeeslagarto
Russischящерица
Japansトカゲ, 蜥蜴
Koreaans도마뱀
Arabischسحلية, ضب, عظاءة
Poolsjaszczurka
Zweedsödla
Deensfirben, øgle