hagedissen

/ˌhaɣəˈdɪsə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. reptielen (reptielen) een onderorde van de schubreptielen (), die meer dan 7100 soorten telt. Hagedissen zijn daardoor de grootste groep van alle moderne reptielen. Ze zijn ontstaan in het trias, maar goede fossielen zijn pas bekend uit het jura. De slangen ontstonden in het Krijt uit een groep van de hagedissen. Hoewel slangen dus evolutionair gezien tot de hagedissen behoren, worden ze hier verder niet behandeld vanwege de afwijkende fysiologie en levenswijze
    Overal waar je keek zag je leven in de woestijn. Duikende vogels, mieren, hagedissen en het onophoudelijke gezang van de krekels.

Etymologie

* "hagedis" met de uitgang -en