halfheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de mate onvolledig zijn
    In de kerk zou daarnaast meer gewaarschuwd kunnen worden tegen de geest van de tijd. „Alle halfheid in het leven van (doop)-leden en ook bij Gods kinderen moet daarin worden aangewezen en afgewezen. Reformatorisch Dagblad Wim Hulsman 08-10-2013 [https://www.rd.nl/kerk-religie/gebed-om-verootmoediging-en-opwekking-in-gg-nodig-1.342352 „Gebed om verootmoediging en opwekking in GG nodig”]
    Hoe zeer verspreid ook, de geschriften zijn het zelfportret van een samenhangende persoonlijkheid, vrij van alle gemakzucht en halfheid en ondanks alle deksels van de wereld bereid het onderste uit de kan te halen. "Liever blijf ik tierend tenondergaan', schreef ze onlangs in haar dichtbundel Thule. NRC Willem Otterspeer 19 februari 1993 [https://www.nrc.nl/nieuws/1993/02/19/verspreide-geschriften-van-anneke-brassinga-een-druppel-7173635-a136289 Verspreide geschriften van Anneke Brassinga; Een druppel kwikzilver in een zee van spiegeling]

Etymologie

* afleiding van half

Vertalingen

Engelswavering, half-heartedness