handdoek

mannelijk (de)/ˈhɑnduk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. textiel (textiel) een doek waarmee men zich afdroogt
    Tijdens het douchen kwam hij erachter dat hij zijn handdoek was vergeten te pakken.
    Olive gehoorzaamde; Teresa sloeg de handdoek om haar heen en nam haar mee de kamer uit.
    Marie-Claire Ik trek de badkamerdeur open en kijk in het gezicht van Giorgos, die met smalende blik en met een handdoek om zijn middel op de toiletpot zit. 'Is de kust veilig?' 'Wat was je aan het doen, joh? Lauren had het bijna door!' 'Wc doortrekken en tandenpoetsen,' is zijn eerlijke antwoord.
  2. (België) een theedoek
    Hij pakte een handdoek om het kopje af te drogen.

Uitdrukkingen

  • De handdoek in de ring werpen/gooienHet opgeven
  • : handuk

Vertalingen

Engelstowel
Fransserviette, serviette de bain, serviette-éponge
DuitsHandtuch, aufgeben
Spaanstoalla
Italiaansasciugamano
Portugeestoalha
RussischПолотенце
Chinees毛巾
Japansタオル
Koreaans수건
Arabischمنشفة
Poolsręcznik
Zweedshandduk
Deenshåndklæde