Handel
mannelijk (de)/ˈhɑndəl/
Wat is de betekenis van Handel?
Handel betekent: (economie) de in- en verkoop van goederen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (economie) de in- en verkoop van goederen
- (metonymisch) winkel, onderneming die goederen koopt om ze met winst te verkopen
- handelswaar
zelfstandig naamwoord
- handgreep, handvat, hendel
Voorbeelden van "Handel" in een zin
- 'De handel ging net zo slecht als ik je had voorspeld,' zegt hij.
- Ik dacht dat ze van de koeien hield, maar het was slechts handel geweest.
- Mijn middelste dochter en ik shopten vaak in de stad en struinden kringloopwinkels af en ze begon vervolgens een klein handeltje door de daar gekochte merkkleding met winst door te verkopen.
- handeldrijven: zij dreven daar al jaren handel mee.
Etymologie
* In de betekenis van ‘kopen en verkopen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1573
Uitdrukkingen
- De hele handel — Alles
- Iemands handel en wandel — Iemands volledige gedragspatroon
Vertalingen
Engelsbusiness, commerce, trade
Franscommerce
DuitsHandel
Spaanscomercio, gremio
Italiaanscommercio
Portugeescomércio
Poolshandel
Deenshandel, byttehandel
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek