woorden
boek
Start
›
H
›
Hank
Hank
mannelijk (de)
/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
een plank tegen de muur, om iets op te zetten
waterbeheer
(waterbeheer) dode rivierarm
Etymologie
* Zuid-Nederlands voor legplank
Synoniemen
legplank
schap
strang
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← Hanja
Hanka →