hap

mannelijk (de)/hɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) voedsel of iets anders dat je door het openen en sluiten van je lippen in je mond krijgt
    Hij pakte een lepel en nam een hap van de soep.
    Na de eerste hap voel ik al dat mijn energielevel omhooggaat.
  2. informeel, voeding (informeel), (voeding) voedsel bedoeld om een maaltijd te vormen
    Zullen we daar een hapje gaan eten?
  3. voeding, pejoratief (voeding), (pejoratief) minderwaardige maaltijd
    Het Duitse reizen staat in het teken van de haast en de productiviteit: zo snel mogelijk van Hamburg naar München in een hard geveerde BMW, met een korte stop voor een vette hap in de Raststätte.
  4. figuurlijk (figuurlijk) deel dat uit een geheel verwijderd wordt
    De rekening van de dierenarts nam een grote hap uit zijn spaargeld.
    'Het is beter dat u het niet weet ' Toen ze tsjak hoorde, draaide ze zich geschrokken om en zag dat Olive een grote hap uit haar eigen haar had gehakt.

Etymologie

*afgeleid van "happen" zonder het achtervoegsel -en

Uitdrukkingen

  • De hele hapAlles
  • Geen hap door de keel krijgenVan een maaltijd niets lusten
  • Slappe hapNiets voorstellend, waardeloos

Vertalingen

Engelsbite, morsel, mouthful
Spaansmordisco, bocado