Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

haringverkoopster

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) (markt)koopvrouw die haring en andere vis verkoopt
    Een van de schaatsers is het blinde jongetje dat op Nella's eerste dag in Amsterdam een visje van de haringverkoopster stal.
    De Amsterdamse burgers op straat zien er echter niet verdacht uit: een haringverkoopster en haar zoontje, zeulend met een mand, een dienstmeid met vier nieuwe bezems die ze waarschijnlijk net op de markt heeft gekocht, een dominee en een echtpaar met een klein kind.