hazenbout

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vlees van de achterpoot van een haas
    Ik ontdooide de hazenbout en zette hem in de oven voor het avondeten.
    De jury was ook erg gecharmeerd van de ”Hazenbout met bruin bier” van J. Witsel uit Krabbendijke. Hij stuurde een sympathiek, eenvoudig recept in waarvan de ingrediënten gewoon allemaal bij elkaar in de pan kunnen. Met het bruin bier en de tuttifrutti krijgt het gerecht een winters karakter. En inderdaad: laat de haas maar voor zichzelf spreken.

Vertalingen

Engelsleg of hare