hazenpoot
mannelijk (de)/ˈhazə(n)ˌpot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- elk van de vier ledematen van een haas, een dier uit het geslacht
Etymologie
*, waarbij de slotmedeklinker weer stemhebbend wordt
Uitdrukkingen
- bij gans hazenpoot
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek