Hebben
onzijdig (het)/ˈhɛbə(n)/
Wat is de betekenis van Hebben?
Hebben betekent: (auxl) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
Betekenis
werkwoord
- (auxl) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
- (absol) (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
- (absol) als onderdeel hebben, omvatten, bevatten
- (absol) lijden aan
- (absol) in dienst hebben
- (absol) drukt een familierelatie uit
- (absol) in zijn macht hebben
- (absol) als taak zich bezig moeten houden met
- (absol) kunnen ~ overweg kunnen met iemand
- (absol) kunnen ~ weerstaan, doorstaan, goed bestand zijn tgen
- (absol) een relatie hebben
- (absol), (auxl) ~ te: moeten, verplicht zijn om
- (absol) ~ over: als onderwerp van gesprek hebben
- (absol) ~ aan: ergens nut van hebben, ergens baat bij hebben
werkwoord
- hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
- hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
zelfstandig naamwoord
- het bezit
Voorbeelden van "Hebben" in een zin
- In een oude National Geographic had ik ooit als kind een artikel over deze trail gelezen, 4.286 kilometer door Amerika. Dit heb ik altijd onthouden, maar ik had nooit gedacht dat zo’n lange wandeltocht voor mij weggelegd zou zijn.
- Ik heb een mooi huis.
- Een auto heeft vier wielen.
- Hij heeft aids.
- Het bedrijf heeft 50 werknemers.
Etymologie
Mogelijk zijn al deze verschillende wortels al vroeg in de verschillende Indo-Europese talen door elkaar gehaald en hebben ze elkaar hierdoor in onderlinge betekenisovereenkomst versterkt. Er is ook nog de verklaring dat *ghebh-)/*ghab(h)-/*kap- onderling toch allemaal verwant zijn in het PIE.
Uitdrukkingen
- af te rekenen hebben met
- vandoen hebben met
- Behoefte aan iets hebben
- Het gehad hebben — Ergens genoeg van hebben, er klaar mee zijn, het beu/moe zijn
- Het mis hebben
- Het op iets gemunt hebben
- Van heb ik jou daar — Gezegd van iets wat groot, imposant e.d. is
- Wel heb ik jou daar! — Uitroep van verbazing
Vertalingen
Engelshave, stand, have
Fransavoir, supporter, avoir
Duitshaben, irren, haben
Spaanshaber
Italiaansavere, avere
Poolsmieć, musieć
Zweedsha, äga
Deenshave
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek