hebzucht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈhɛpsʏxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (psychologie) een overdreven begeerte naar materieel gewinHun hebzucht is vaak wat uiteindelijk dictators ten val brengt.Wouter Bos: «De hele crisis betekent de definitieve teloorgang van een systeem dat is gebaseerd op hebzucht, onverantwoorde risico's en perverse beloningen»Maar het kan ook voelen alsof de moderne tijd ons steeds dieper in hebzucht, wanhoop en opwinding dompelt.
Uitdrukkingen
- Gierigheid ( of hebzucht) is de wortel van alle kwaad
Vertalingen
Engelsgreed
Spaanscodicia, avaricia
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek