haldeur

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een deur die een hal in twee delen verdeelt
    Enkele uren later viel Madou van de trap en sloeg met haar hoofd door het glas van de haldeur. NRC Frits Abrahams 7 april 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/04/07/andries-kaas-vriend-van-willem-elsschot-een-zonderling-6927383-a275213 Andries Kaas, vriend van Willem Elsschot; Een zonderling metvele slecht genezen wonden]
    „Hallo, ik ben...” Het raampje wordt met een klap dichtgesmeten en kaatst via de sponning weer open. Een gezicht verschijnt in het raampje. Gerimpeld. Koolzwarte felle ogen. Haar mond als een streep tussen haar lippen geklemd. „Laat ik je verdomme nooit meer zien klootzak!”, krijst ze en verdwijnt. Ik hoor het glas in de haldeur natrillen. NRC Mark van Roosmalen 5 mei 2007 [https://www.nrc.nl/nieuws/2007/05/05/bevrijdingsdag-11318798-a1328745 Bevrijdingsdag]