heersen

/hersə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) de macht uitoefenen
    Deze tsaar heerste met ijzeren vuist.
  2. absol, medisch (absol) (medisch) als epidemie aanwezig zijn in de bevolking
    Er heerste griep.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘regeren’ voor het eerst aangetroffen in 1348

Vertalingen

Engelsgovern, rule, reign
Duitsherrschen, herrschen
Spaansgobernar, imperar, regir