heersen

/hersə(n)/

Wat is de betekenis van heersen?

heersen betekent: (inerg) de macht uitoefenen

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) de macht uitoefenen
  2. absol, medisch (absol) (medisch) als epidemie aanwezig zijn in de bevolking

Voorbeelden van "heersen" in een zin

  • Deze tsaar heerste met ijzeren vuist.
  • Er heerste griep.

Betekenis en uitleg van heersen

Heersen betekent dat iemand de controle of invloed uitoefent over een bepaalde situatie, plaats of groep mensen. Het is een krachtig woord dat vaak wordt gebruikt om aan te geven dat er een sterke aanwezigheid of dominantie is.

Het woord 'heersen' wordt vaak gebruikt in politieke of sociale contexten, zoals wanneer een koning over een land heerst of wanneer een bepaalde sfeer of stemming in een groep heerst. Het kan ook figuurlijk worden gebruikt, bijvoorbeeld als er een bepaalde emotie of gedachte heerst binnen een groep mensen. Bij het gebruik van dit woord is er vaak een nuance van autoriteit en invloed.

Voorbeelden

  • Tijdens de vergadering heerste er een gespannen sfeer door de onduidelijkheid over de nieuwe plannen.
  • In de middeleeuwen heerst de koning over zijn koninkrijk met strikte wetten en regels.
  • Terwijl de feestdagen naderden, heerste er een gevoel van vreugde en opwinding in de stad.

Woordoorsprong

Het woord 'heersen' is afgeleid van het Oudnederlands 'herse', wat 'heersen' of 'overheersen' betekent. Het heeft verwante vormen in andere Germaanse talen, die allemaal een gevoel van dominantie of controle uitdrukken.

Veelgestelde vragen over heersen

Wat is de betekenis van heersen?

heersen betekent: (inerg) de macht uitoefenen

Hoeveel betekenissen heeft heersen?

heersen heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Hoe gebruik je heersen in een zin?

Voorbeeld: “Deze tsaar heerste met ijzeren vuist.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘regeren’ voor het eerst aangetroffen in 1348

Vertalingen

Engelsgovern, rule, reign
Duitsherrschen, herrschen
Spaansgobernar, imperar, regir