heil

onzijdig (het)/ɦɛjl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. welzijn, voorspoed, redding, verlossing
    Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens)
    Ze moesten ten eerste wat meer op de uitgaven gaan letten, ten tweede had het geen enkele zin dat hij als oude man alleen aan de ene kant van de Kâllvâgen in een groot en comfortabel huis zat terwijl zijn bijna even oude broer zijn heil moest zoeken in het Grand Hotel vijf minuten verderop? Zo waren ze dat overeengekomen.
  2. voordeel.
    Ik zie daar geen heil in.

Etymologie

*Afgeleid van heel (onaangetast, volledig).

Vertalingen

Engelssalvage, salvation
DuitsSegen, Vorteil
Spaanssalvación