heilig
/ɦɛj.ləɣ/
Wat is de betekenis van heilig?
heilig betekent: door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- door wijding aan het goddelijke bijzonder gemaakt
- van iets dat het van uitzonderlijk belang is
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heiligen
- gebiedende wijs van heiligen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van heiligen
Voorbeelden van "heilig" in een zin
- De rest van de heilige reep knaagde ik in minuscule hapjes gedurende de dag op. Zelden had ik zo’n knorrende maag gehad.
- Ik heilig.
- Heilig!
- Heilig je?
Etymologie
erfwoord via Middelnederlands heilich van Oudnederlands helig, in de betekenis van ‘verheven’ aangetroffen vanaf 776, op te vatten als afgeleid van heil zn met het achtervoegsel -ig
Vertalingen
casant, sagrat
Duitsheilig
Engelsholy, sacred
Franssacre, saint
Italiaanssanto, sacro
kupîroz
lasanctus
Portugeessanto
Spaanssanto, sacrosanto, sagrado
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek