hemd

onzijdig (het)/hɛmt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding (kleding) kledingstuk voor het bovenlijf, meestal gemaakt van katoen, linnen of viscose en gedragen als boven- of als onderkleding
    Zijn hemd stak uit zijn broek.
    Ik trok mijn slipje aan, zijn hemd en wollen trui, stapte uit bed en liep op kousenvoeten door de gang naar de badkamer.
    Hij stak de speksteenkachel aan met vers hout, restafval van de houtbewerking waar meer dan genoeg van was. Wanneer hij 's avonds met zijn bouwtekeningen en berekeningen boven bij de petroleumlamp zat, elektrisch licht was er alleen op de benedenverdieping, kon hij de temperatuur zo hoog laten worden dat hij ten slotte alleen nog in zijn hemd zat.

Etymologie

* Van het Middelnederlandse hemede of hemde. In de betekenis van ‘onderkledingstuk’ voor het eerst aangetroffen in 1240.

Uitdrukkingen

  • Iemand in zijn hemd zettenIemand vernederen
  • Iemand het hemd van het lijf vragenIemand helemaal uitvragen
  • In zijn hemd staanVoor gek staan
  • Geen hemd aan zijn lijf hebbenErg arm zijn
  • Het is beter een andermans hemd dan geen.Wat je niet hebt, kun je desnoods van iemand anders lenen
  • Het hemd is nader dan de rok.Iemands eigen familie gaat voor diegene boven anderen
  • Het laatste hemd heeft geen zakken.Wie sterft, kan niets meer meenemen

Vertalingen

Engelsshirt
Franschemise
DuitsHemd
Spaanscamisa
Italiaanscamicia
Turksgömlek