hijs
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het hijsen
- hijswerktuig.
- de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
- klap.
- zijde van een zeil waar dit gehesen wordt, voorlijk
- stokzijde van een vlag
Etymologie
#(spreektaal) hij is
Uitdrukkingen
- het is een hele hijs
- het is een fors karwei
- iemand een hijs verkopen
- iemand (hard) slaan
Vertalingen
Engelshoist, hoisting, hoist
Fransguindage, élévateur, fardeau
DuitsHochziehen, Hebezeug, Hub
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek