hijs

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het hijsen
  2. hijswerktuig.
  3. de hoeveelheid die men in één keer op kan hijsen
  4. klap.
  5. zijde van een zeil waar dit gehesen wordt, voorlijk
  6. stokzijde van een vlag

Etymologie

#(spreektaal) hij is

Uitdrukkingen

  • het is een hele hijs
  • het is een fors karwei
  • iemand een hijs verkopen
  • iemand (hard) slaan

Vertalingen

Engelshoist, hoisting, hoist
Fransguindage, élévateur, fardeau
DuitsHochziehen, Hebezeug, Hub